Berberse Verhalen !! Het Boek: Berber Sprookjes

Just_a_Boy 21 mei 2011

  1. Berber sprookjes

    U IT N O O R D - M A R O K K O


    Opgetekend door Abdelkader Bezzazi

    uit het Berber vertaald en uitgeleid

    door Maarten Kossinann​
     
  2. L i la yiwyen miss en emmis

    Het verhaal van Lila die met haar neef trouwde


    Er was eens een man en die had twee vrouwen. De ene
    was blind en had een dochtertje, de ander had een
    zoontje.
    Toen het zaaiseizoen aanbrak zeiden de vrouwen tegen
    hun man:
    - Iedereen heeft bonen gelegd behalve wij.
    Hij antwoorde:
    — Als jullie morgen bonen voor me klaar leggen zal ik
    ervoor zorgen.
    De volgende dag ging hij vroeg op pad. Hij kwam bij
    een grot en ging er naar binnen. Hij ging zitten en begon
    de bonen op te eten. Tegen de avond ging hij weer naar
    huis. Toen hij van zijn ezel klom zei hij tegen zijn vrouwen:
    — Ik ben moe, ik wil gaan liggen.
    De bonentijd brak aan en de vrouwen zeiden tegen hem:

    — Het is tijd om de bonen te plukken. Ga met ons mee
    en laat ons zien waar ons veldje is.
    Maar de man zei:
    - Ik ben te moe om me te bewegen, maar hier is mijn
    stok. Als jullie bij een veldje aankomen moeten jullie de
    bonenstaken meten. Als ze even lang zijn als de stok dan
    zijn de bonen van ons.
    De vrouwen gingen op weg, met de kinderen op de
    ezel. Ze zochten en zochten tot ze bij een veldje kwamen
    waar de bonenstaken even lang waren als de stok van hun
    man. Blij begonnen ze de bonen te plukken. Even later
    kwam er een vrouw. Die riep van een afstandje:
    -Hé daar! Wacht op mij! Wat zijn jullie daar aan het
    doen?

    Toen ze bij hen aankwam zei ze:
    -Oh! Het zijn de bruidjes van mijn dochter, ik had
    jullie niet herkend! Kom mee een kopje thee drinken, het
    huis is vlakbij.
    De vrouwen waren erg blij, ze dachten dat ze het
    meende. Even later kwamen ze bij een hooggelegen huis.
    Ze gingen naar binnen en ze gingen zitten. De vrouw zei
    tegen hen:
    -Ik ga even thee zetten.
    Ze pakte de kinderen. Het jongetje zette ze voor zijn
    moeder neer. Het meisje nam ze mee, en voor haar
    moeder zette ze de stamper van de vijzel.

    De vrouwen wachtten een tijdje. Toen keek de vrouw
    uit het raam (niet de blinde, maar de ander). Ze zag
    iemand hun ezel opeten en ze herkende haar. Ze herkende
    de vrouw die hen had uitgenodigd. Ze stootte de andere
    vrouw in de zij en zei:
    — Sta onmiddellijk op. We zijn bij een menseneetster.
    Pak je dochter en sta op! Anders eet ze ons op!
    Ze vluchtten. 'Toen de menseneetster terugkwam trof
    ze niemand meer aan. Alleen het meisje dat ze verstopt
    had was er nog. Ze pakte het op en zei:
    — Als ik je opeet blijft je vlees maar tussen mijn tanden
    steken en je bloed is maar een druppeltje in mijn maag.
    Wat moet ik met je doen?
    Op dat moment kwam er een wolf langs. Hij hoorde
    haar en zei:

    — Ach mevrouw de menseneetster, waarom brengt u
    haar niet groot? Ooit wordt ze volwassen en kan ze voor u
    zorgen als u oud en gebrekkig bent.
    -Je hebt gelijk,
    zei de menseneetster. Het meisje bleef dus bij de
    menseneetster, jaar na jaar na jaar najaar, totdat ze groot
    was, totdat ze een vrouw was geworden.

    Op een dag was een jongen met een bal aan het spelen
    bij het huis van een oude vrouw. De bal kwam terecht op
    de bakplaat van de vrouw en de bakplaat brak. De oude
    vrouw riep:
    — Als je een man was zat je nichtje niet tussen de
    gruwels en de griezels!

    De jongen rende naar zijn moeder:
    —Je moet de oude vrouw van hiernaast uitnodigen en
    henna klaarzetten en hete soep maken.
    Goed jongen, nodig haar vanavond maar uit.
    Die avond kwam de oude vrouw naar het huis van de
    jongen. De jongen ging bij haar zitten en zijn moeder
    maakte het eten klaar. Toen het klaar was zette ze het op
    tafel en bracht ze een kom met henna. De oude vrouw
    stak haar hand uit naar het eten, maar de jongen pakte
    hem vast en dompelde hem in de hete soep, zodat hij
    verbrandde.
    -Oma, ik laat u niet los voor u me verteld heeft wat er
    met mijn nichtje is gebeurd.
    -Laat me los, ik zal alles vertellen.
    Hij liet haar hand los en stopte hem in de henna. Toen
    vertelde ze hem het verhaal van zijn nicht. Die avond zei
    hij tegen zijn moeder dat ze alles klaar moest zetten omdat
    hij haar ging zoeken. De volgende ochtend vroeg vertrok
    hij. Hij liep en liep en liep tot hij bij een hoge berg kwam
    waar een huis op de top stond, Het was het huis van de
    menseneetster bij wie zijn nicht woonde. De haan en de
    hond begonnen te roepen:
    -Lila, Lila, je neef staat buiten.
    Lila riep:
    — Hou me niet voor de gek!
    Toen hoorde ze haar neef:


    Lila, Lila,
    laatje haar naar beneden,
    dan klim ik naar boven.

    Lila kwam naar beneden en haar neef klom naar
    boven. Drie haren braken af. Toen hij boven was
    verstopte ze hem in een pot (pardon!), in een grote
    vooraadpot, zodat de menseneetster hem met zou zien.
    Toen de menseneetster thuiskwam telde ze de haren van
    Lila. Ze merkte dat er drie ontbraken en zei
    — Waar zijn die heen?
    Ze vroeg haar uit en ze anrwoordde:
    — Ach oma, de haan en de hond waren aan het vechten,
    'Toen ik ze uit elkaar wilde halen braken er drie haren af
    De menseneetster liet het erbij; ze geloofde haar. Toen
    het eten klaar was riep ze de potten. Ze kwamen allemaal
    aangewaggeld behalve de pot waar Lila haar neef in had
    verstopt. De menseneetster zei:
    -Als die pot daar niet wil komen, dan breek ik hem in
    stukken!
    Maar Lila zei:
    -Ach oma, hij is oud en ziek; u bent toch ook niet
    meer zo vlot als vroeger? Geef mij zijn eten maar, dan
    breng ik het wel, dan kan hij het daar eten.
    De menseneetster liet het er verder bij. Toen ze
    gegeten hadden zei Lila tegen haar.
    —Oma, ik ben nu groot, en toch heeft u me nog nooit
    uw geheimen verteld.
     
  3. — Goed, dochtertje,
    zei de menseneetster
    — Zie je daar die buidel, daar in de hoek? Als je hem
    hier brengt zal ik je alles uitleggen. Kom maar bij me
    zitten.
    Ze vertelde haar het geheim van de wind en de regen
    en de donder en de bliksem. Toen gingen ze naar bed.
    Lila deed net alsof ze sliep en wachtte tot de menseneetster
    vast in slaap was. Toen stond ze op en legde een grote
    kruik naast de menseneetster. Ze wekte haar neef voor de
    vlucht. 'Toen de haan en de hond het merkten begonnen
    ze te roepen:
    --Lila en haar neef vluchten!
    Lila vluchtte weg met haar neef. De menseneetster
    werd wakker en tastte naast zich. Ze voelde daar Lila —ze
    dacht dat die kruik Lila was. Ze pakte de haan en de hond
    en at ze op. Toen ging ze weer slapen. De volgende
    ochtend toen ze opstond merkte ze dat Lila er niet meer
    was. Ze begon te roepen:
    -Lila, Lila, als jullie iemand tegenkomen en die zegt:
    'Help me om deze tassen op de ezel te laden!', moeten
    jullie hem niet helpen. Als jullie twee vechtende adelaars
    tegenkomen, moeten jullie ze niet uit elkaar halen.
    Lila en haar neef liepen en liepen totdat ze iemand
    tegenkwamen die tassen op zijn ezel probeerde te laden.
    Ze hielpen hem. Ze liepen verder en kwamen twee
    adelaars tegen die aan het vechten waren. Toen ze ze uit

    elkaar wilden halen at een van hen de neef van Lila op.
    Hij vloog weg en Lila bleef alleen achter. Ze vond ergens
    een hondenvacht en trok die aan. Ze liep en ze liep totdat
    ze bij een dorp aankwam. Daar gaven ze haar wat te eten.
    hen adelaar begon rondjes te vliegen en nep:

    Iila, Iila,
    Wat at je vanavond?

    En

    Mi]n eten is kaf
    Ik slaap achter in de tent

    Het was haar neef die het vroeg. Toen ze had geantwoord
    vloog hij weg:

    Wee mi]n moeder
    Wee mijn vader
    Wee deze tent aan de rand van het dorp.

    De volgende dag kwam hy terug.

    Lila, Lila,

    Wat at je vanavond?

    Mijn eten is kaf
    Ik slaap achter in de tent
     
  4. De man deed wat de schoolmeester zei. Alle adelaars
    aten en dronken en vlogen weer weg-op één na: die kon
    niet meer naar boven komen, Hij braakte de neef van lila
    uit en die bleef bewusteloos liggen. Er was daar een meisje
    samen met haar vriendinnetjes en die zag twee hagedissen
    vechten. De ene won van de ander en sloeg hem bewuste-
    loos. Toen plukte de hagedis het een of andere kruid en
    wreef het in de neusgaten van de ander. Die kwam weer
    bij. Het meisje deed hetzelfde bij de neef van Lila en hij
    kwam weer bij. Zijn vader en zijn moeder brachten hem
    naar huis. Toen hij weer thuis was zei hij tegen zijn vader
    en moeder:
    — Ik wil met de hond trouwen.
    Uiteindelijk stemden ze toe. Hij zei tegen zijn moeder:
    — Maak heet water klaar voor de hond om zich te
    wassen.
    Ze vierden de bruiloft. De volgende dag kwam de
    slavin het ontbijt brengen. Ze schrok verschrikkelijk, ze
    rende naar buiten, ze schreeuwde, ze liet alles vallen:
    -Mijn meester is mooi als de maan, mijn meesteres
    schoon als het maanlicht.
    Iedereen vroeg haar wat er gebeurd was.
    Op een dag zei iemand:
    — Ik wil met onze hond trouwen.
    Ze brachten hem haar. De volgende dag kwam de
    slavin het eten brengen. Ze rende naar buiten en riep:
    — Mijn meester is dood, mijn meesteres slaapt op zijn
    lijk.
     
  5. Dit is echt een heeeeel oud berbers verhaaltje. hahaha maar door de vertaling is het wel een beetje verkracht
     
  6. Thajit n Ddawya d umas

    Het verhaal van Dawia en haar broer


    Er was eens een man en die had twee vrouwen. Een
    van hen had een zoon en een dochter, Het meisje heette
    Dawia. Op een dag zeiden de vrouwen tegen hun man:
    — Koop voor ons wol, dan maken we er een winterjas
    van.
    Hij ging naar de markt en kocht de wol. De volgende
    dag gingen de vrouwen bij de rivier de wol wassen die
    hun man voor hen had gekocht. Een van hen zag op de
    oever van de rivier wat groen gras staan. Ze ?ei tegen de
    andere vrouw:
    - Kijk eens wat een mooi gras daar groeit! Als ik je op
    je rug sla met mijn ceintuur dan verander je in een koe en
    kun je het gras opeten. Daarna word je weer gewoon een
    vrouw.
    Zij zei:
    -Oké.
    Ze gaf haar een klap met de ceintuur en ze veranderde in een koe. Ze at het gras op, en toen ze klaar was begon
    ze te wachten tot ze weer een vrouw zou worden, maar ze
    bleef zoals ze was. Ze ging weer naar huis en haar man
    wist ook niet wat hij eraan moest doen.
    Een tijdje later zei de andere vrouw, die geen kinderen
    had, tegen haar man:
    — Als je wilt dat de Meer ons zegent moet je de koe
    slachten.
    -Het is de moeder van mijn kinderen.
    Ze drong bij hem aan, maar hij wilde de koe niet
    slachten. Op een avond tegen etenstijd ging ze op een
    heuveltje staan en ze begon te roepen:
    — Slacht haar en je wordt rijk, slacht haar en je wordt
    rijk!
    De man hoorde het en slachtte de koe. De vrouw
    bereidde het vlees van de koe en at het bij het avondeten.
    De kinderen van de koe haalden de botten van hun
    moeder bij elkaar en begroeven ze. Een dag ot twee latei-
    groeide op die plek een dadelpalm. ledere dag als ze
    honger kregen gingen Dawia en haar broer daarheen en
    zeiden:
    -Boom van moeder, kom naar beneden! Boom van
    moeder, kom naar beneden!
    De boom boog zich dan naar de grond. Ze aten tot ze
    genoeg hadden gehad en dan ging de boom weer
    omhoog.
    Een tijdje later kreeg de vrouw van hun vader een
     
  7. dochter. De tijd verstreek maar het meisje wilde maar niet
    groeien. Op een keer zei haar moeder tegen Dawia en
    haar broer:
    — Wat eten jullie eigenlijk? Kijk eens hoe zwak jullie
    zusje is. Neem haar mee en geef haar het eten dat jullie
    eten.
    -We eten alleen maar insecten en hagedissen en wat
    we zo tegenkomen.
    -Neem haar mee en geef haar te eten.
    Dawia en haar broer namen haar mee. Als ze een insect
    of een hagedis vonden gaven ze die aan haar. Ze werd zo
    rond als een kruik vol water. Toen z.ei haar moeder:
    -Zien jullie wel! Jullie zusje heeft haar buikje
    volgegeten.
    De volgende ochtend was ze dood. Haar moeder was
    ziek van verdriet. Ze volgde haar stiefkinderen, en toen ze
    hen zag eten van de boom probeerde ze hem om te
    hakken. Maar zodra ze een stuk had afgehakt groeide er
    ergens anders weer een stuk aan. Zo bleef ze bezig tot er
    een man langs kwam. Ze zei:
    — Als u deze boom omhakt, krijgt u wat u maar wilt.
    Hij hakte hem om en ging weer verder. Dawia en haar
    broer gingen achter hem aan. Ze liepen en liepen en
    liepen. De broer van Dawia kreeg dorst. Toen hij een
    bron zag zei hij tegen zijn zus:
    — Dawia, mijn zusje, ik heb zo'n dorst.
    Maar zij zei:
     
  8. -Broertje, uit deze bron drinken de beesten. Als jij
    eruit drinkt word je een ezelsveulen.
    Ze liepen verder en verder tot ze bij een volgende bron
    aankwamen. Hij zei opnieuw:
    — Dawia, mijn zusje, ik heb zo'n dorst.
    — Broertje, als je uit deze bron drinkt word je een
    gazelle.
    Hij hield het niet meer uit. Toen Dawia even haar
    hoofd omdraaide dronk hij uit de bron. Hij veranderde in
    een gazelle. Huilend liep Dawia verder met de gazelle
    achter zich aan. Op een dag kwamen ze bij een paleis. Het
    paleis was van de man die de boom van hun moeder had
    omgehakt, dat was namelijk een koning. Hij herkende
    Dawia onmiddellijk en trouwde met haar. Hij had al
    andere vrouwen, maar hij liet haar alleen in een paleis
    wonen en de gazelle bleef bij zijn zusje.
    Op een dag ging de koning uit. Zijn vrouwen wilden
    Dawia zien en riepen haar. Ze kwam naar buiten en ging
    mee. Ze boden haar een tapijt aan, maar toen ze erop
    wilde gaan zitten en haar voeten op het tapijt zette viel ze
    in een kuil. Daarin woonden twee beesten, Haroes en
    Baroes; de vrouwen dachten dat die Dawia wel zouden
    opeten. Toen de koning terugkwam vroeg hij zijn
    vrouwen:
    — Waar is Dawia heen?
    -We hebben die vrouw niet gezien. Waar zouden we
    haar moeten zien?
     
  9. En verder:
    — We krijgen hoofdpijn van die gazelle. U moet hem
    slachten.

    Hij zei:

    -Breng me een mes.
    Toen begon de gazelle te praten en zei:

    Dawia mijn zusje
    Gazelle het kindje van je moeder wordt geslacht
    De ketels worden klaargezet
    De messen worden geslepen

    Dawia antwoordde vanuit de kuil:

    Sultan, Sultan,
    Lahsen en Hoesein zitten op mijn schoot
    Haroes en Baroes willen ons eten

    Dawia was zwanger toen ze in de kuil viel en ze had
    een tweeling gekregen die ze Lahsen en Hoesein had
    genoemd. De koning hoorde haar en hij begon te zoeken
    waar de stem vandaan kwam. Hij ging naar een oude man
    en vertelde hem zijn probleem. Die zei:
    — G naar het paleis en slacht twee rammen. Gooi ze in
    de kuil van het paleis. Daar wonen twee beesten. Terwijl
    ze aan het eten zijn gooit u een touw naar beneden en
    trekt eraan.
     
  10. Hij deed wat de oude man hem had aangeraden. Davvia
    en haar kinderen kwamen naar boven. De koning zei:
    — Wat is er met je gebeurd?
    Ze vertelde hem het hele verhaal vanaf het eerste
    begin. Hij bracht de gazelle naar een mensenbron en hij
    veranderde weer in een mens. De vrouwen die Dawia
    hadden willen doden doodde hij allemaal. Dawia en haar
    broer bleven in het paleis wonen en de kinderen werden
    volwassen mannen.
     
  11. bedankt.. Deze verhalen kende ik nog niet
     
  12. is uit een berberse boek. ik zal binnenkort meer verhalen ervan plaatsen. Het zijn echt verhalen van onze oma's en de oma's daarvan
     
  13. Ja... dat zou leuk zijn
     
  14. Het verhaal van Slimme Hammoe

    Er was eens een man en die had zeven zonen en een
    witte kameel. Op een dag zei hij tegen hen:
    — Kinderen, we gaan weg uit dit land waar de
    menseneetster woont.
    Ze liepen en liepen en liepen. Een van de kinderen zei:
    — Papa, ik ben moe. Laat me op de witte kameel zitten.
    — Wat moet ik met je aan nu je moe bent? Ik hou van
    je maar niet zoveel als van mijn witte kameel.
    Toen zei zijn zoon:
    — Bouw een hutje voor mij en laat me daar achter.
    Zijn vader bouwde het hutje. Hij liet hem achter en
    ging weer verder. De menseneetster en haar dochter
    kwamen achter hem aan en aten de jongen op. De andere
    kinderen bleven bij hun vader.
    Weer was er eentje die tegen zijn vader zei:
    Papa, ik ben moe. L a at me op de witte kameel zitten
     
  15. — Nu je moe bent, wat moet ik met je, zei de vader. ik hou van je maar niet zoveel als
    v an mijn wiitte kameel.
    — Bouw voor mij een hutje.
    Hij bouwde het hutje en liet hem achter. De mensenneetster en haar dochter kwam achter hem aan en aten
    hem op.
    Zo werd de één na de andere moe. Toen de laatste moe
    werd zei hij tegen zijn vader:
    -Bouw voor mij een hutje van ijzer.
    Zijn vader bouwde een hutje van ijzer. Toen de
    menseneetster en haar dochter langs kwamen, gingen ze naast de ijzeren hut zitten.
    Naast de hut was een vijgenboom en een sloot je met
    water. Elke ochtend riep de menseneetster de jongen en
    zei:
    — Sta op, we gaan vijgen plukken!
    Hij antwoordde dan:

    — Omaatje, mijn zak is stuk, ik ben hem aan het naaien.
    De menseneetster scheurde van woede haar eigen zak
    s tuk en moest hem weer naaien. Op dat moment ging de
    jongen naar buiten. Terwijl zij nog bezig was plukte hij de
    vijgen. Wanneer ze klaar was riep de menseneetster hem
    weer en zei:
    - Ben je klaar met de zak?
    — Ik heb alle vijgen geplukt. Alleen de rotte heb ik laten hangen
     

Deel Deze Pagina