biografie van de profeet

tatouzint_4ever 13 feb 2011

  1. Geen vrouw kent zo een goed huwelijks gezelschap – als dat gezelschap betekent in de perfectie van de persoon – als dat van de Profeet van Allah (vzmh), wat duidelijk wordt in de Heilige Quran en in zijn houding, uitspraken en daden.

    De meeste dingen die de moralen van de Profeet met zijn vrouwen specificeren, was zijn goed gezelschap, vrolijkheid, grapjes maken met zijn familie, lachten met zijn vrouwen, mildheid en vrijgevigheid.

    Zelfs toen hij racete met Aisha – de moeder van de gelovigen, moge Allah tevreden met haar zijn – in de woestijn op een van zijn tripjes, toonde hij daarmee liefde aan haar. Ze zei; de Profeet van Allah (vzmh) racete met mij en ik won, dat was voordat ik was aangekomen. Dan racete ik daarna nog met hem en hij won. Hij zei: “We staan gelijk.â€

    De Profeet verzamelde zijn vrouwen elke dag in het huis van de vrouw met wie hij de nacht door zou brengen. Hij at soms het avondeten met hen en daarna verliet iedereen het huis. Hij sliep met zijn vrouw onder een motto, welke is: om zijn mantel van zijn schouders te halen. Nadat hij het al Ishaa gebed had gebeden (wat het laatste gebed van de dag is), ging hij naar huis en zat een tijdje bij zijn familie voordat hij ging slapen.

    De Profeet (vzmh) stelde een criterium voor de beste van de mannen in de goede behandeling van hun vrouwen. Hij zei: “de beste van jullie is degene die het beste is voor zijn familie, en ik ben de beste van jullie voor mijn familie.†Verteld door At-Tirmithy

    Dat is omdat nabootsing en aanmatiging van hoge morele standaarden zwak worden wanneer de persoon voelt dat hij autoriteit en macht heeft, en het wordt zwakker wanneer hij een lange tijd die autoriteit heeft. Als de persoon zijn morele perfectie behoud in een gemeenschap waarin hij macht heeft en er voortdurend vertrouwelijk mee is, dan is dit de beste persoon in moraal.

    Als de Profeet (vzmh) de beste is voor zijn familie, dus zijn vertrouwelijkheid met hen moet werkelijk perfect zijn, betekent dit in alle opzichten morele perfectie, zoals gedrag, liefde, rechtvaardigheid, loyaliteit en wat het materiële leven vraagt in alle omstandigheden en dagen.
    Sunnah boeken, Shamael en Seerah verduidelijkten dat. Dat is wat de eerbare Sunnah in vele van de uitspraken van de Profeet met betrekking tot zijn gedrag met zijn familie en zijn behandeling van hen toont.

    A- Over de liefde van de Profeet voor hen - Anas Bin Malek – Moge Allah tevreden zijn met hem – zegt:
    (1) De Profeet van Allah (vzmh) zei: “de geliefdste dingen voor mij zijn; vrouwen, parfum en mijn rust in de gebeden.†Verteld door Ahmed en anderen.

    (2) Amr Bin al Aas – moge Allah tevreden met hem zijn- vroeg de Profeet: “O Profeet van Allah, wie is de vrouw van wie je het meest houdt?†De Profeet antwoordde: “Aisha.†En van de mannen?†hij zei: “haar vader.†Verteld door At-Tirmithiy

    B- Over het spelen van de Profeet met zijn familie, zegt Aisha – moge Allah tevreden met haar zijn
    (1) Ik speelde met mijn vriendinnen in het huis van de Profeet en toen hij (vzmh) aankwam, gingen ze weg, dus hij liet hen binnenkomen om weer met me te spelen.†Verteld door Al-Bukhari

    (2) Aisha – moge Allah tevreden met haar zijn – zei: “de profeet van Allah (vzmh) stond in de deuropening van mijn kamer, mij bedekkend met zijn mantel; om te kijken naar het spel van de Ethiopiërs met hun speer. Hij was erg bezorg over de jonge leeftijd van Aisha waarop ze gek was op amusement!

    (3)We vermeldden ook de voorgaande hadith die gaat over de wedstrijd van de Profeet met Aisha – moge allah tevreden met haar zijn – wat de vriendelijkheid en genade van de Profeet laat zien.

    (4) Een voorbeeld van zijn goede gezelschap en de nobelheid van zijn moralen:
    Aisha – moge Allah tevreden met haar zijn) zei: “Ik dronk terwijl ik menstrueerde en toen gaf ik het kopje aan de Profeet (vzmh) dushij zette zijn mond waar ik de mijne had gezet om te drinken.†Verteld door Muslim
     
  2. De vervolging van de moslims in Mekka; De redenen en de gevolgen


    Het artikel bespreekt de belangrijkste redenen en gevolgen van de oppositie van de Quraysh jegens de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) en Islam.

    Na de openbaring van ‘O jij ommantelde! Sta op en waarschuw.’ (Qur’an: 74:1-2) begon de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) zijn hechte familieleden en vrienden op te roepen tot Islam. Het prediken van de Profeet, en de aanbidding van de Moslims, werd de volgende drie jaar in het geheim gedaan. In deze fase, was de oppositie tegen degenen die het geloof omarmde voornamelijk op een familiaire en individuele manier. Echter, nadat Allah openbaarde ‘En waarschuw uw naaste familieleden.’(Qur’an:26:214) , werd de oproep van de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) publiekelijk. Hij stond op de berg Safa, riep de verschillende stammen op, en waarschuwde hen voor een strenge bestraffing als zij zijn boodschap van tawhid niet zouden accepteren. Volgend op deze publieke bekendmaking, werd een aantal verzen geopenbaard die het aanbidden van afgoden weerlegde, ze beschreven de afgodaanbidders als misleid, en bedreigden hen met het Hellevuur als ze geen afstand zouden nemen van afgoderij. Deze openlijke verwerping van afgoderij beledigde de Mekkanen diep, en prikkelde hen om een gezamenlijke campagne te beginnen tegen de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) en zijn volgers.

    Er waren drie grote factoren achter de oppositie van Quraysh tegen Islam: religieus, sociaal en economisch. We zullen iedere factor apart bespreken.

    De eerste verdeling tussen de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) en zijn tegenstanders was een religieuze, of specifieker, de kwestie van tawhid en shirk. De Mekkanen geloofden dat Allah hun Schepper was, en dat Hij Almachtig was, ‘En als gij hen vraagt: "Wie heeft de hemelen en de aarde geschapen, en de zon en de maan in dienst gesteld?" zullen zij gewis zeggen, "Allah". Hoe worden zij dan (van het goede pad) afgewend?’(Qur’an:29:61). In tijden van moeilijkheden zouden ze al hun aanbidding naar Allah alleen richten. Echter, zij aanbaden ook anderen dan Allah. Ze geloofden dat ze te zondig waren om Allah direct te benaderen, en ze vonden intermediairen uit tussen hunzelf en Allah, die zij konden oproepen, en hen konden vragen om hun verzoek naar Allah te brengen. Hun doel was het aanbidden van Allah, maar de manier om Allah te bereiken was door deze intermediairen. De Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) verklaarde dat elke daad van aanbidding, waaronder ook smeekbede, eden, opoffering, alleen tot Allah gericht moeten zijn.

    In de Ka’bah waren honderden afgoden gesitueerd, de meest beroemde was Hubal. Al-Uzza, een afgod die dicht bij Mekka gesitueerd was, die door pelgrims van over heel Arabië werd bezocht. Deze verering van afgoden, evenals de verering van bepaalde bomen (Dhat Anwat) en gebouwen (de graftombe van al-Lat) was diep geworteld in de psyche van Mekkanen, en zij voelden diep wrok voor iedereen die deze praktijk die ze van hun voorvaderen hadden geërfd betwistte.

    Het idee dat Profeetschap gegeven werd aan iemand die arm en een wees was, was tegenstrijdig voor de Quraysh. Al-Walid in al-Mughirah klaagde dat hij het Profeetschap meer verdiende door zijn status. En men zegt: "Waarom is deze Koran niet aan een groot man uit de twee steden geopenbaard?" (Qur’an: 43:31). Zij beweerden dat Allah een engel zou moeten sturen als een Profeet, en niet louter een sterveling.

    Ten slotte, de Mekkanen verworpen het concept van Heropstanding, gelovende dat het onmogelijk was dat vervallen beenderen opnieuw tot leven gebracht werden. Zij zeggen: "Zullen wij, wanneer wij dood zijn en tot beenderen en stof geworden, dan inderdaad weer worden opgewekt?. (Qur’an:23:82).

    Islam was ook een bedreiging voor de sociale gewoonten van de Mekkanen. Het betekende dat de eeuw van oude tradities tot een einde zou komen; overspel, diefstal, bedrog, onderdrukking van de vrouwen, slaven en de armen en het levend begraven van levende meisjes kinderen. Dit is waarom de Mekkanen bereid waren het persoonlijke leiderschap van de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) te accepteren, als hij zijn missie verliet, aangezien dit betekende dat er geen einde kwam aan hun traditionele manier van leven. Echter, de acceptatie van Islam als een religie betekende een einde aan elke traditie of geloof die in strijd was met de Qur’an.

    Verschillen tussen stammen speelde ook een rol in de oppositie, in het bijzonder bij BanuUmmayah and Banu Makhzum. Acceptatie van Islam betekende dat de machtige stammenleiders zich moesten onderwerpen aan de vroeger on-invloedrijke man van een rivale stam. Er waren verdere gevolgen. Stammen van over heel Arabië maakten hun jaarlijkse pelgrimage naar de Ka’bah om hun afgoden in en rondom Mekka te aanbidden. Een belangrijk gevolg hiervan was dat Mekka een belangrijk commercieel centrum was geworden. Het verlaten van het aanbidden van afgoden zou drie grote gevolgen hebben; de Quraysh zouden hun positie van priesterlijke klasse verliezen, dit zou op zijn beurt weer hun financiële inkomsten van de pelgrimage bedreigen, en ten slotte vreesden zij dat een coalitie van stammen hen zou verdrijven als bewakers van de Ka’bah. En zij (de bewoners van Mekka) zeggen: "Als wij de leiding met u zouden volgen, zouden wij van ons land worden weggevoerd." (Qur’an: 28:57).

    Ten slotte, de herinnering aan Abrahah’s noodlottige poging om de Ka’bah te verwoesten was nog steeds fris in de gedachten van de Mekkanen. De laatsten zagen gelijkenis tussen de boodschap van de Profeet en het christendom, en verwierpen het vandaar.

    Gevolgen van de oppositie van Quraysh tegen Islam
    Er waren drie grote gevolgen van de oppositie van Quraysh tegen Islam. Mohar ‘Ali (rahimahullah) vermeld dat een aantal bekeerlingen uit hun stammen verbannen werden en waren extreem kwetsbaar voor vervolging en zelfs dood. Zestien moslims emigreerden naar Abbesinië om toevlucht te zoeken bij een christelijke koning, die bekend stond om zijn rechtvaardigheid. Er vond ook een tweede migratie naar Abbessinië plaats waar 98 moslims bij betrokken waren. Het gevolg van deze migratie toonde dat de intense vervolging door de Mekkanen zijn gewenste doel niet had bereikt. Islam werd geïntroduceerd op een nieuw continent, een resultaat hiervan was dat een delegatie van 20 christenen naar de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) kwamen en Islam omarmden. De Negus omarmde Islam ook.

    Ten tweede, ‘Umar’s (moge Allah tevreden met hem zijn) besloten oplossing om de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) te doden, leidde hem naar een reis die resulteerde in de acceptatie van Islam. Zo ook, was Hamzah (moge Allah tevreden met hem zijn), de oom van de Profeet, was uit loyaliteit aan de stam woedend dat Abu Jahl zijn neefje belasterde. Daarna, uit naam van de Profeet represailles nemend, verklaarde Hamza zijn bekering tot de Islam.

    Ten derde, de intense vervolging betekende dat de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam) ergens anders moest zoeken (buiten Mekka) om de boodschap te verkondigen en om steun te vragen. De meeste stammen weigerden hem, maar een aantal prominente mensen uit Medina van de Awdrn Khazraj stam, accepteerden zijn boodschap toen ze op bezoek waren voor een pelgrimage. Ze beloofden trouw aan de Profeet (sallallaahu alayhi wa sallam), wat bekend staat als de eerste en tweede belofte van Aqabah. Islam verspreidde zich in Medina, wat de weg opende voor de moslims om naar Medina te migreren, om Islam openlijk zonder vrees voor vervolging te praktiseren, en een stadsstaat te vestigen die de Islam ver buiten zijn grenzen zou verspreiden.

    Bibliografie
    Abu Bakar, Hj, Balkis (2000). Early opposition to the Prophet (salalahu alaihi wa
    sallam) Muhammad (pbuh). A Literary and Historical Study: Perpustakaan
    Negara, Malaysia.
    ‘Ali, Muhammad Mohar. (1997). Sirat Al-Nabi and the Orientalists. With Special
    Reference to the Writings of William Muir, DS Margoliouth and W. Montgomery
    Watt. Madinah, Saudi Arabia: King Fahd Complex for the printing of the Holy
    Qur’an and Centre for the Service of Sunnah and the Sirah.
    Mubarakpuri, al-, Safi-ur-Rahman. (1985). Ar-Raheeq Al-Makhtum (The Sealed
    Nectar). Biography of the Noble Prophet. Madinah: Maktba Dar-us-Salam.
     
  3. De hijrah (De migratie van de Profeet naar Madeenah)

    Vraag:
    Ik zou graag willen dat een van de broeders me helpt enkele bronnen of een andere soort van informatie te vinden over de Hijrah of Hegra van de profeet, want ik doe een research paper ernaar.

    Antwoord:
    Alle lofprijzingen komen Allaah toe.
    Toen de vervolging van de mensen van Makkah tegen de Moslims intens groeide, droeg Allaah hen op om te migreren zodat zij de religie van Allaah in een land konden vestigen waar zij Hem konden aanbidden.
    Allaah koos Madeenah als het land van hijrah (migratie omwille van Allaah). De Boodschapper (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zag in een droom dat hij naar die stad migreerde.

    Het werd verteld van Abu Moosa dat de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zei: “Ik zag in een droom dat ik aan het migreren was van Makkah naar een land waar er dadelpalmen zijn, en ik dacht dat het al-Yamaamah of Hajar was, maar het bleek Madeenah te zijn, Yathrib…”
    Verteld door al-Bukhaari, 3352; Muslim, 4217.
    Al-Bukhaari (3906) vertelde dat ‘Aa’ishah zei: De Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zei tegen de Moslims: “Er is mij het land getoond waarheen jullie zullen migreren: het heeft palmbonen tussen twee velden, de twee stenige streken.” Dus, enkele mensen migreerden naar Madeenah, en de meeste van de mensen die daarvoor naar het land van Ethiopië waren gemigreerd, keerden terug naar Madeenah.

    Al-Haafiz zei:
    De harrah (stenig gebied) is een land waarvan de stenen zwart zijn. Deze droom verschilde van de droom die hierboven vermeld werd in de hadeeth van Abu Moosa waarin de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) niet zeker was over waar dat land was. Ibn al-Teen zei: De Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) werd het land van migratie getoond op zo’ n manier dat het naar Madeenah en andere plaatsen kon verwijzen, toen werd hem het kenmerk getoond dat uniek is voor Madeenah dus het werd duidelijk welk land het was.
    Met betrekking tot de eerste metgezellen van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) die migreerden:
    Het werd verteld dat al-Bara’ (moge Allaah tevreden met hem zijn) zei: De eerste die naar ons kwamen van de metgezellen van de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) waren Mus’ab ibn ‘Umayr en Ibn Umm Maktoom. Ze begonnen ons de Qur’aan te lezen. Toen kwamen ‘Ammaar, Bilaal en Sa’d, dan kwam ‘Umar ibn al-Khattaab met twintig anderen. Toen kwam de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem), en ik zag de mensen van Madeenah nooit verheugder dan toen. Zij waren zo verheugd dat ik de meisjes en de jongens zag zeggen. “Dit is de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem), hij is gekomen.”
    Verteld door al-Bukhaari, 4560.

    De volgende hadeeth vat vele gebeurtenissen van de migratie van de Profeet samen:
    Het werd verteld dat ‘Aa’ishah zei: De Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zei tegen de Moslims:
    “In een droom is mij jullie plaats van migratie getoond, een land van dadelpalmbomen, tussen twee velden, de twee stenige gebieden.” Dus, sommige mensen migreerden naar Madeenah, en de meeste van die mensen die daarvoor naar Ethiopië waren verhuisd, keerden terug naar Madeenah. Abu Bakr bereidde zich ook voor om naar Madeenah te gaan, maar de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zei tegen hem, “Wacht een tijdje, want ik hoop dat ik toegestaan zal worden om ook te migreren.”Abu Bakr zei, “Verwacht u dat inderdaad? Moge mijn vader voor u opgeofferd worden!” De Profeet ze, “Ja.” Dus Abu Bakr bleef achter omwille van de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zodat hij hem kon vergezellen. Hij voedde vier maanden lang twee wijfjes kamelen die hij bezat met de vruchten van de samur boom.

    Op een dag, terwijl we ‘s avonds in het huis van Abu Bakr zaten, zei iemand tegen Abu Bakr, “Dit is de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) met zijn hoofd bedekt, komend op het tijdstip waarop hij ons nooit eerder bezocht.” Abu Bakr zei, “Moge mijn vader en moeder voor hem opgeofferd worden. Bij Allaah, hij is nooit op dit uur gekomen behalve voor iets belangrijks.” Dus de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) kwam en vroeg toestemming om binnen te komen, en het werd hem toegestaan. Toen hij binnenkwam, zei hij tegen Abu Bakr. “Vertel iedereen die aanwezig is bij jou weg te gaan.” Abu Bakr antwoordde, “Er is niemand hier behalve uw familie. Moge mijn vader voor u opgeofferd worden, O Boodschapper van Allaah!” De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zei, “Er is mij toestemming gegeven te migreren.” Abu Bakr zei, “Zal ik u vergezellen? Moge mijn vader voor u opgeofferd worden, O Boodschapper van Allaah!” De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zei, “Ja.” Abu Bakr zei, “O Boodschapper van Allaah, moge mijn vader voor u opgeofferd worden, neem een van mijn wijfjes kamelen.” De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) antwoordde, “(Ik zal het accepteren) met betaling.” Dus we maakten de bagage snel klaar en deden een beetje reis voedsel voor hen in een leren tas. Asma’, de dochter van Abu Bakr, sneed een stuk van haar riem en bond het uiteinde van de leren tas ermee vast, en daarom werd zij Dhaat-un-Nitaaqayn (de bezitter van twee riemen) genoemd.

    Toen bereikten de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en Abu Bakr de grot van de berg van Thawr en bleven daar drie nachten. ‘Abdullah bin Abi Bakr die een intelligente en wijze jongere was, bleef ’s nachts bij hen. Hij zou hen voor het aanbreken van de dag verlaten zodat hij in de morgen met Quraysh zou zijn, alsof hij de nacht in Makkah had doorgebracht. Hij zou elk complot tegen hen onthouden, en als het donker werd zou hij gaan en hen erover informeren. ‘Aamir bin Fuhayrah, de bevrijdde slaaf van Abu Bakr, bracht de melk schapen (van zijn meester, Abu Bakr) een tijdje na het vallen van de nacht naar hen toe. Dus zij hadden ’s nachts altijd verse melk, de melk van hun schapen. ‘Aamir bin Fuhayrah zou dan de kudde weg nemen als het nog steeds donker was (voor het aanbreken van de dag). Hij deed alle drie de nachten hetzelfde. De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en Abu Bakr huurden een man van de stam van Bani al-Dayl van de familie van Bani ‘Abd ibn ‘Adiyy als een professionele gids. Hij was van de religie van de heidenen van Quraysh maar de Profeet en Abu Bakr vertrouwden hem en gaven hem hun twee wijfjes kamelen en maakten een afspraak met hem dat hij de twee wijfjes kamelen, nadat drie nachten voorbij waren gegaan, in de morgen naar de grot van de berg van Thawr zou brengen. En (toen zij op weg gingen) gingen ‘Aamir bin Fuhayrah en de gids met hen mee en de gids leidde hen langs de kust.
    Ibn Shihaab zei: ‘Abd al-Rahmaan ibn Maalik al-Mudliji, die de neef was van Suraaqah ibn Maalik ibn Ju'sham, vertelde me dat zijn vader hem informeerde dat hij Suraaqah ibn Ju’sham hoorde zeggen, “De Boodschapper van de kuffaar van Quraysh kwam naar ons toe verklarend dat hij voor de twee mensen die de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en Abu Bakr zouden doden of arresteren, een beloning had toegewezen die gelijkwaardig was aan hun bloedgeld. Terwijl ik in een van de bijeenkomsten van mijn stam, Banu Mudlij, zat, kwam een man van hen naar ons toe en hij stond terwijl wij zaten, en zei, ‘O Suraaqah! Geen twijfel, ik heb net enkele mensen ver weg aan de kust gezien, en ik denk dat zij Muhammad en zijn metgezellen zijn.’ “Suraaqah voegde toe, “Ik realiseerde me ook dat zij het moesten zijn. Maar ik zei, ‘Nee, het zijn ze niet, maar hebben jullie die en die gezien, en die en die die we weg zagen gaan.’ Ik bleef een tijdje in de bijeenkomst en stond dan op om naar huis te gaan. Ik droeg mijn slavin op om mijn paard te halen die achter een heuveltje was, en het voor me klaar te maken.

    .
     
  4. Toen nam ik mijn speer en verliet mijn huis door de achterdeur, het uiteinde van de speer over de grond slepend en het laag houdend. Dan bereikte ik mijn paard, besteeg het en ik liet het galopperen. Toen ik hen bereikte (dwz. Muhammad en Abu Bakr), struikelde mijn paard en ik viel er vanaf, dan stond ik op, greep mijn pijlkoker vast en nam de goddelijke pijlen en bedacht of ik hen zou moeten schaden (dwz. Muhammad en Abu Bakr) of niet, en het lot waar ik afkeer van had kwam uit. Maar ik hersteeg mijn paard en liet het galopperen, geen belang hechtend aan de goddelijke pijlen. Toen ik de recitatie van de Qur’aan door de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) hoorde die niet om zich heen keek ook al deed Abu Bakr dat wel, zonken de voorbenen van mijn paard plotseling in de grond tot aan zijn knieën, en ik viel er vanaf. Dan berispte ik het en ik steeg erop maar het kon moeilijk zijn voorbenen van de grond optillen, en toen het weer recht stond, lieten zijn voorbenen stof opwellen alsof het rook was. Dan koos ik weer willekeurig goddelijke pijlen, en het lot waar ik afkeer van had kwam uit. Dus ik riep naar hen om hen te laten weten dat ze veilig waren. Zij stopten, en ik besteeg mijn paard weer en ging naar hen. Toen ik zag hoe ik belemmerd was hen kwaad te doen, kwam het in mijn gedachten dat de Zaak van de Boodschapper van Allaah(vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) (dwz. Islam) zou overwinnen. Dus ik zei tegen hem, “Uw mensen hebben een beloning toegewezen gelijk aan het bloedgeld voor het gevangennemen van u.” Dan vertelde ik hem de plannen die de mensen van Makkah hadden gemaakt betreffende hem. Toen gaf ik hem wat reisvoedsel en goederen maar zij weigerden iets te nemen en vroegen niet om iets, maar de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zei, “Vertel anderen niet over ons.” Dan vroeg ik hem voor mij een veiligheids garantie te schrijven. Hij droeg ‘Aamir bin Fuhayrah op het voor mij te schrijven op een stukje dierenhuid, toen ging de Boodschapper van Allaah(vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) verder.

    Ibn Shihaab zei: 'Urwah ibn al-Zubayr vertelde me: De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) ontmoette al-Zubayr in een karavaan van Moslim handelaren die terugkwamen van Syrië. Al-Zubayr gaf de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en Abu Bakr een gift van witte kleren. Toen de Moslims van Madeenah het nieuws van het vertrek van de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) van Makkah (naar Madeenah) hoorden, begonnen ze elke morgen naar de harrah (veld) te gaan. Zij zouden op hem wachten totdat de hitte van de middag hen dwong terug te keren. Op een dag, na een tijdje gewacht te hebben, keerden zij terug naar huis, en toen zij hun huizen binnen gingen, klom een jood op het dak van een van de forten van zijn mensen om naar iets te kijken, en hij zag de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en zijn metgezellen gekleed in witte kleding, alsof zij uit een luchtspiegeling te voorscheen kwamen.

    De Jood kon het niet helpen dat hij uit volle borst schreeuwde: “O Arabieren! Hier is jullie grote man waarop jullie gewacht hebben!” Dus alle Moslims haasten zich hun wapens op te pakken en gingen de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) op het veld ontmoeten. De Profeet keerde met hen terug naar het goede en verlichtte land van Bani ‘Amr ibn ‘Awf. Dit was op maandag in de maand van Rabee’al-Awaal. Abu Bakr stond op, de mensen ontvangend terwijl de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) zat en stil bleef. Enkele van de Ansaar die waren gekomen en de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) nooit eerder hadden gezien, begonnen Abu bakr te groeten, maar toen de zonneschijn fel op de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) scheen en Abu Bakr in beweging kwam en hem met zijn mantel beschaduwde, pas toen leerden de mensen de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) kennen.

    De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) verbleef tien nachten met Bani ‘Amr ibn ‘Awf en vestigde de moskee (moskee van Quba’) welke op vroomheid werd gefundeerd. De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) bad er in en besteeg dan zijn wijfjes kameel en ging verder, vergezeld door de mensen totdat zijn wijfjes kameel neer knielde (op de plek van) de moskee van de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) in Madeenah. Enkele moslims baden daar in die dagen, en die plaats was een tuin voor drogende dadels die aan Suhayl en Sahl toebehoorde, twee wezen die onder de voogdij van As’ad ibn Zuraarah waren. Toen zijn wijfjes kameel neerknielde, zei de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem), “Deze plaats, als Allaah het wil, zal onze plaats zijn.” De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) riep toen de twee jongens en vertelde hen een prijs voor die tuin te noemen zodat hij het als een moskee kon nemen. De twee jongens zeiden, “Nee, maar we zullen het als een gift geven, O Boodschapper van Allaah!” De Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) weigerde het als een gift te nemen en stond er op het van hen te kopen, dan bouwde hij er een moskee. De Profeet zelf begon ongebrande bakstenen voor zijn gebouw te dragen en toen hij dat deed, zei hij; “Deze vracht is beter dan de vracht van Khaybar, want het is vromer Bij Allaah en zuiverder en beter beloonbaar.”

    Hij zei ook, "O Allaah! De eigenlijke beloning is de beloning in het Hiernamaals, dus heb Genade met de Ansaar en de Muhaajireen.”
    Dus de Profeet reciteerde (door middel van een spreekwoord) het gedicht van een van de Moslim dichters wiens naam mij onbekend is. Ibn Shibaab zei, "We hebben in geen enkele ahaadeeth gehoord dat de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) een complete spreekwoord reciteerde behalve deze.”
    Verteld door al-Bukhaari, 3906

    Maar er is een misleidend argument verklaard door enkele van degenen die twijfels over islam willen zaaien. Zij zeggen dat de seerah verteld dat de Boodschapper (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en Abu Bakr met twee wijfjes kamelen migreerden, en zij gingen de grot binnen, en Quraysh jaagde hen na; als zij twee wijfjes kamelen bij zich hadden, zouden de mensen van Quraysh geweten hebben dat Muhammad (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en zijn metgezel de grot waren binnengegaan. Dus waar waren de twee kamelen?
    Deze sceptici willen Islam aanvallen zodat de mensen de seerah van de Boodschapper (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) niet zullen geloven, en om hen te laten denken dat de seerah gebaseerd is op illusies en leugens.

    Het antwoord op dit misleidend argument is werkelijk erg eenvoudig. De overlevering die hierboven geciteerd is – waarvan deze mensen zich niet bewust waren, of zij negeren het – vertelt hen dat de Boodschapper (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) een gids had gehuurd om hen de weg te wijzen, en ook al was hij een volger van de kaafir religie van Quraysh, zij vertrouwden hem. Dus zij gaven hun rijdieren aan hem en maakte een afspraak met hem dat hij hun rijdieren nadat drie nachten voorbij waren gegaan naar hen terug zou brengen bij de grot van Thawr.
    Deze hadeeth weerlegt duidelijk hun misleidende argumenten en leggen hen het zwijgen op. Alle lofprijzingen komen Allaah toe voor leiding na misleiding.
    Iets anders wat de Boodschapper van Allaah (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) en Abu Bakr op hun weg naar Madeenah overkwam:

    Het werd verteld dat Abu Bakr (moge Allaah tevreden met hem zijn) zei: Ik zei tegen de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem) – toen ik in de grot was – “Als een van hen naar zijn voeten kijkt zal hij ons zien.” Hij zei, “Wat denk je, O Abu Bakr, van twee mensen waarvan Allaah de derde is?”
    Verteld door al-Bukhaari, 3380; Muslim, 4389
    Dit is een samenvatting van de gebeurtenissen van de hijrah. Die meer wil weten kan referenties zoals al-Bidaayah wa’l-Nihaayah door Ibn Katheer, 4/168-205 raadplegen.

    En Allaah weet het het beste
     
  5. Up inscha-allah
     

Deel Deze Pagina